Text
Adatrechtbundels : bezord door de commissie voor het adatrecht en uitgegeven door het koninklijk instituut voor de taal-, land- en volkenkunde van nederlansch-indie
In 1863 was bij de Indische Regeering het denkbeeld in over-weging, om weder uitvoering te geven aan het in latere jaren verwaarloosde voorsehrift vervat in art. 14 van de provisionele bepalingen nopens den aanslag en de invordering der landrenten (Staatsblad 1819, n°. 5), dat de wettige bezitters der velden, zooals daar zijn, de eerste ontginners der gronden of derzelver erfgenamen en anderen, die volgens de herkomsten der inlandsche bevolking of uit eenigen anderen hoofde, als wettige bezitters moeten worden beschouwd, in hunne regten niet worden verkort; met dien verstande echter, dat daardoor niet weder aan het ge-meenteliik bezit worden onttrokken de velden, die thans reeds daarin zijn begrepen, maar dat dit voorsehrift slechts worde toegepast op ontgonnen velden, op welke de gemeente nog geen aanspraak heeft gemaakt, en op de velden welke voortaan nieuw worden ontgonnen
Tidak tersedia versi lain